Bericht navigatie

Column

Tot jezelf komen

Een ontmoeting met Ringo Harmsen (49 jaar). Hij is drie dagen in de week als deelnemer bij Scauting in Assen te vinden. Hij houdt zich daar vooral bezig met programmeren. 
We bevinden ons in een van de kantoorruimtes. Op de werktafel van Ringo staan een laptop en een plant. Zijn stoel is leeg. De mijne ook. Want we zitten op onze knieën op de grond. Met de ogen bijna dicht.  
Ringo: “Je houdt je handen als een kommetje in je schoot. Duimen zacht tegen elkaar of je er een vloeitje tussen vasthoudt. Je strekt je rug, je hoofd wordt als het ware aan de haren omhoog getrokken. Je zit niet echt op je hielen maar je drukt met je beenspieren je torso juist een beetje omhoog.”
Zijn ouders waren 49 jaar geleden op weg naar het gemeentehuis om hem aan te geven toen ze de Beatles hoorden. Ze besloten op dat moment hun zoon Ringo te noemen. “Het had dus net zo goed Paul of John kunnen zijn.” zegt Ringo. Dat grapje maakt hij vast wel vaker!
“Je ademt in en uit. Vooral de uitademing is belangrijk. Die gaat langzamer. Je telt je uitademhalingen. Een….twee…. drie… tot 10. En dan weer opnieuw. Een…. twee…. dit doe je 20 minuten lang, korter mag ook.”   
Het effect van de oefening is merkbaar aan de rust die in zijn stem en manier van praten gekomen is. Hier is iemand aan het woord die weet waar hij het over heeft. Hij vertelt me dat hij zich sinds een jaar of acht intensief bezig houdt met meditatie en met karate. Zijn vriendin bracht hem op dit spoor en daar is hij erg blij mee.
“Het is belangrijk om af en toe je gedachten stil te zetten. Niet door middel van afleiding, maar door je te focussen op je ademhaling. Soms komen er gedachten voorbij, die observeer je en dan verdwijnen ze vanzelf weer.”
Hij vertelt me over de tijd dat hij minder controle over zijn gedachten had. Vooral in de periode dat hij werkzaam was als systeembeheerder. Het werk had hem volkomen in beslag genomen. Hij was fulltime bezig met automatiseren. Dag en nacht. Alleen als hij sliep misschien heel even niet. Maar zelfs dan droomde hij er soms over. Met zijn eigen grenzen hield hij zich totaal niet bezig, hij wilde alleen maar voldoen aan de verwachtingen van zijn meerderen. Ringo: “Toen ben ik mezelf voorbij gelopen.”
Hij was alleen maar hoofd, vertelt hij, zijn lichaam bestond voor hem nauwelijks. Maar dat lichaam begon wel te protesteren. En zijn hoofd wilde uiteindelijk ook niet meer. Hij begon uitvluchten te zoeken om zich tijdelijk beter te kunnen voelen. Maar kwam uiteindelijk helemaal tot niets meer. De koek was volledig op.
Tegenwoordig ervaart hij veel meer balans tussen zijn lichaam en zijn geest. Karate heeft hem sterker en leniger gemaakt. En zelfverzekerder. 
“Wat voor jongetje ik was? Ik denk een beetje een raar jongetje. Ik vermaakte me kostelijk in de klas, aan mijn tafeltje, met mijn etui. Met een elastiekje erbij was het helemaal feest. Ik maakte soms ook oerwoudgeluiden. Op een keer zei de leraar dat ik weg moest gaan. Dus ik ging naar huis om 10 uur ‘s morgens. Hoi mam, ik ben er weer! De telefoon ging, het was de meester. Hij zei heel boos dat ik onmiddellijk terug naar school moest komen! Ik begreep er niks van, hij had toch gezegd dat ik weg moest gaan?”  
Ringo vertelt me dat hij vroeger als puber niet begreep wat de zin van het leven is. Je wordt geboren, school, werk, gezin, kinderen, kleinkinderen en dan ga je dood. Als dat alles is?
Tegenwoordig kan hij genieten van de kleinste dingen. Een bloemetje, als je goed kijkt hoe dát in elkaar zit. Met wiskundige regelmaat en precisie. Of een boom, uit een klein zaadje voortgekomen. Hoe kan het? 
Inmiddels weet hij ook wat hij wil. Hij wil andere mensen helpen. Met programmeren bijvoorbeeld. In welke vorm hij dat zal gaan doen zal ongetwijfeld duidelijk worden de komende tijd. Samen met zijn begeleider Ronald is hij dat bij Scauting aan het onderzoeken.
Karate en meditatie. Ze zijn de kern van zijn levenshouding geworden. Ringo: “Hier en nu, dat is alles wat er is. Daar kom je tot jezelf. Als je het ergens anders zoekt mis je het hele leven. En dat is jammer.”

Hanneke Kappen